vandenb.com is de plek waar mijn verhalen staan. Ik ben Walter van den Berg. Als je me iets wilt vertellen, dan kan dat. Via vandenb@cistron.nl

Elke dag vandenb op (home is where the log is).

Het offer
Er reed een ambulance naar de Sloterplas.
We waren aan het spelen geweest. Het was kerstvakantie en het zou nog vier dagen duren voor de school weer begon. We renden naar de overkant. Er stonden mensen op de boulevard, en ze keken naar beneden, het water in.
>>>

Zonde van de mayonaise
Michel had een zoontje. Michel was vijfentwintig, zijn zoontje was vier. De moeder van zijn zoontje woonde alleen, Michel woonde nog thuis.
>>>

Een pistool
Rooie Paultje had een Opel Manta uit '78 of '79 en hij was ooit zwart geweest, maar Paultje had 'm een keer overgespoten omdat ie dat toen nodig had gevonden, en de lak die hij gebruikt had, was mat geworden.
>>>

Onzichtbaarheid is geen garantie voor succes
Ik deed mijn best onzichtbaar te worden. Na een kwartiertje was het gelukt.
>>>

De Esso
Bij de Esso stonden drie auto's. Ze stonden met hun koplampen naar elkaar toe.
>>>

Robbie (onafgemaakt)
Bij de Marokkaan in de Comeniusstraat zat een oud vrouwtje aan een tafeltje patat te eten. Ze had een boodschappentas op de vloer naast zich staan, en ze praatte voor zich uit.
>>>

Deborah
In het restaurant stond een tafeltje waar m´n zwager soms zat te roken als ie het rustig had, dicht bij de keuken.
>>>

Zondagavond
Het was zondagavond.
Ze zaten achterin de snackbar. Jongens die hun scooters buiten hadden staan, twee meisjes die zich verveelden.
>>>

Ciao bello
We bleven aan de rand lopen, dicht tegen de bomen aan. Er was geen schaduw. Job liep twintig meter voor ons.
>>>

Sloterparkbad
In het jaar dat Robbie ging trouwen, was het allemaal al afgelopen. Vroeger was het nog gezellig op het plein, maar de meeste jongens vonden het wel mooi geweest; we zagen bijna niemand meer.
>>>

Schoonmaakwerk
Het ging heel makkelijk. Ik solliciteerde en werd aangenomen. Ze hadden mensen nodig.
>>>

Noordpier
De vriend van mijn moeder had een Opel rekord. Hij was bruin, met een zwart dak, alsof ie een cabriolet wilde lijken.
>>>

Voor amsterdam stories:

Dode Hoek
Westra heeft een Rolex.
Hij komt van boven met een zakje, roept iets tegen de hond, en schrijft een briefje. "Hier," zegt hij.
De wijzerplaat van de Rolex is bezaaid met stenen. "Jezus," zeg ik. "Wat een lelijk ding."

Wachten op een telefoontje
Martine reed. Het was kloteweer en ze had de pest in, dus ze reed hard. Haar baas was door blijven gaan met zeiken over rapporten die ze af had moeten hebben en ze haatte hem.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het offer

Er reed een ambulance naar de Sloterplas.
We waren aan het spelen geweest. Het was kerstvakantie en het zou nog vier dagen duren voor de school weer begon. We renden naar de overkant. Er stonden mensen op de boulevard, en ze keken naar beneden, het water in.
Er dreef een vrouw. Twee mannen zaten in een rubberbootje, drie meter onder ons, één aan het roer van de kleine buitenboordmotor, de ander duwde het lichaam van de vrouw voor zich uit en zei "rustig" tegen de man aan het roer.
De Sloterplas was een groot zwart monster. Hier, in deze hoek, kwam het vuil aandrijven; het werd gevangen door de wind en de kom aan deze kant ingeduwd. Net als de lijken.
De vrouw dreef op haar buik. Ze droeg een zwarte jurk en rode pumps. Misschien had ze er nog maar één, aan haar rechtervoet - het linkerbeen werd door het rubberbootje aan het zicht onttrokken. De kuit van haar rechterbeen was wit met een blauwe glans. Haar armen en hoofd lagen dieper in het donkere water.
Wij stonden er met open mond naar te kijken.


De mannen in het rubberbootje duwden haar naar het platje. Ik had een mes verstopt, daar. Ik zat vaak op het platje, alleen. Ik kraste formules en woorden op de betonplaten. Ik had een dode vogel geofferd aan de Sloterplas, had het vogellijk in een koekblik gestopt met stenen, maar het blik bleef drijven. De plas wilde mijn offer niet. Ik had het nog weken zien liggen tussen het vuilnis in de kom, tussen de pastic zakken, de flessen, en de boomtakken. Ik had stenen gezocht, en die naar het blik gegooid, maar het was moeilijk drie meter lager iets te raken, en als ik het raakte, danste het slechts in het water. Het zonk niet.
Nu dacht ik eraan. Straks gaan ze zoeken, tussen het vuilnis. Dan komen ze het blik tegen. Het vogellijk erin. Mijn papier, met rode pen beschreven, met bezweringen. En op het platje, verborgen onder een los liggend stuk beton, mijn mes.
De ziekenbroeders uit de ambulance waren de trap afgelopen. Ze stonden met hun handen in hun zij te kijken naar de mannen in het bootje, en het lichaam. Ze hadden hun brancard neergezet, en aan hun voeten lag een grijs zeil. Toen het bootje en het lichaam dichterbij kwamen, zakten ze door hun knieën en hielden ze het zeil op. Ze legden het over de vrouw heen voor ze haar de kant optrokken. We zagen niets meer van het lichaam; alleen nog dat rechterbeen met die rode pump. Eén van de ziekenbroeders zag het, keek even naar boven, waar wij stonden met nog twintig mensen, en vouwde het zeil eromheen.


's Middags ging ik terug. De zon was bijna weg. Ik leunde over de reling. Ik probeerde het blik te vinden tussen het vuilnis, maar het was er niet. Ik had vanuit de huiskamer, vanaf de stoel van mijn vader door het grote raam naar buiten zitten kijken. Er was niemand meer geweest bij het platje.
Ik keek om me heen voor ik de korte trap afliep. Onder het stuk losliggend beton lag het mes nog. Ik woog het in mijn hand. Ik had er niets mee gedaan. De vogel was al dood geweest. De vrouw ook.
Ik wierp het in het water, zo ver als ik kon.
Heel ver was dat niet.