Er reed een ambulance naar de Sloterplas.
We waren aan het spelen geweest. Het was kerstvakantie en het zou nog vier dagen duren voor de school weer begon. We renden naar de overkant. Er stonden mensen op de boulevard, en ze keken naar beneden, het water in.
Er dreef een vrouw. Twee mannen zaten in een rubberbootje, drie meter onder ons, één aan het roer van de kleine buitenboordmotor, de ander duwde het lichaam van de vrouw voor zich uit en zei "rustig" tegen de man aan het roer.
De Sloterplas was een groot zwart monster. Hier, in deze hoek, kwam het vuil aandrijven; het werd gevangen door de wind en de kom aan deze kant ingeduwd. Net als de lijken.
De vrouw dreef op haar buik. Ze droeg een zwarte jurk en rode pumps. Misschien had ze er nog maar één, aan haar rechtervoet - het linkerbeen werd door het rubberbootje aan het zicht onttrokken. De kuit van haar rechterbeen was wit met een blauwe glans. Haar armen en hoofd lagen dieper in het donkere water.
Wij stonden er met open mond naar te kijken.
De mannen in het rubberbootje duwden haar naar het platje. Ik had een mes verstopt, daar. Ik zat vaak op het platje, alleen. Ik kraste formules en woorden op de betonplaten. Ik had een dode vogel geofferd aan de Sloterplas, had het vogellijk in een koekblik gestopt met stenen, maar het blik bleef drijven. De plas wilde mijn offer niet. Ik had het nog weken zien liggen tussen het vuilnis in de kom, tussen de pastic zakken, de flessen, en de boomtakken. Ik had stenen gezocht, en die naar het blik gegooid, maar het was moeilijk drie meter lager iets te raken, en als ik het raakte, danste het slechts in het water. Het zonk niet.
Nu dacht ik eraan. Straks gaan ze zoeken, tussen het vuilnis. Dan komen ze het blik tegen. Het vogellijk erin. Mijn papier, met rode pen beschreven, met bezweringen. En op het platje, verborgen onder een los liggend stuk beton, mijn mes.
De ziekenbroeders uit de ambulance waren de trap afgelopen. Ze stonden met hun handen in hun zij te kijken naar de mannen in het bootje, en het lichaam. Ze hadden hun brancard neergezet, en aan hun voeten lag een grijs zeil. Toen het bootje en het lichaam dichterbij kwamen, zakten ze door hun knieën en hielden ze het zeil op. Ze legden het over de vrouw heen voor ze haar de kant optrokken. We zagen niets meer van het lichaam; alleen nog dat rechterbeen met die rode pump. Eén van de ziekenbroeders zag het, keek even naar boven, waar wij stonden met nog twintig mensen, en vouwde het zeil eromheen.
's Middags ging ik terug. De zon was bijna weg. Ik leunde over de reling. Ik probeerde het blik te vinden tussen het vuilnis, maar het was er niet. Ik had vanuit de huiskamer, vanaf de stoel van mijn vader door het grote raam naar buiten zitten kijken. Er was niemand meer geweest bij het platje.
Ik keek om me heen voor ik de korte trap afliep. Onder het stuk losliggend beton lag het mes nog. Ik woog het in mijn hand. Ik had er niets mee gedaan. De vogel was al dood geweest. De vrouw ook.
Ik wierp het in het water, zo ver als ik kon.
Heel ver was dat niet.